Informatie wolNeem snel een kijkje in onze Online Shop! Geschiedenis  Ongeveer 11.000 jaar geleden begon de mens schapen te houden voor vlees en wol. De vacht van het schaap was oorspronkelijk precies dik genoeg om het te beschermen tegen zowel de winterkou als de zomerhitte. Elk seizoen was het schaap in de rui en verloor dan zijn vacht. Tijdens de rui werden de schapen geplukt. In 1000 v. Chr. werd de eerste schaar voor het knippen van schapen geïntroduceerd. Later ging de mens schapen fokken om zo schapen te verkrijgen die zoveel mogelijk wol leveren. Zo ontstonden schapen met een te veel aan haar en een te lange vacht. Achtergrond Er zijn +/- 800 verschillende soorten schapen. De meeste wol, zo’n 40%, is afkomstig van het van oorsprong Spaanse Merino-schaap dat in de 18e eeuw werd geïmporteerd door Engelse kolonisten naar Australië. Merino-schapen worden gehouden voor hun wol. Deze wol wordt gezien als beste kwaliteitswol omdat het fijn, zacht sterk, dun, veerkrachtig en gekroesd is. Een resultaat, bereikt door het doorfokken van schapen met bepaalde kwaliteiten. Bovendien levert een Merino-schaap door zijn onnatuurlijke extra huidplooien veel meer wol. De wereld telt ongeveer een miljard schapen, die jaarlijks zo’n twee miljard kilo wol leveren. Australië is met een productie van grofweg 500 miljoen kilo wol, afkomstig van zo’n 98 miljoen Merino-schapen, het belangrijkste wolproducerende land. (2002/2003, British Wool Marketing Board). In Nederland komt 80% van alle schapenwol uit Australië. De Australische kuddes zijn zo groot, tot 100.000 schapen op 90.000 hectare grasland, dat ze met zo’n 11 herders op motoren bijeengedreven moeten worden. China is het tweede wolproducerende land en in opkomst. Daarna is Nieuw-Zeeland een grote producent. Wol van het Nieuw-Zeelandse Romneyschaap wordt vooral verwerkt in tapijten, vloerbedekking en dekens. Groot-Brittannië is met een schapenindustrie van 24,9 miljoen schapen (in 2003) het grootste wolproducerende land van Europa. In Nederland worden grofweg 1,5 miljoen schapen gehouden voor met name de vleesindustrie. Wol wordt beschouwd als bijproduct en heeft een ondergeschikte rol. Het bij ons meest voorkomende Texelse schaap levert maar weinig wol (3,5 kilo per schaap). De kwaliteit is laag en de hoeveelheid is minder dan 1% van alle wol die in Nederland wordt verkocht. De Nederlandse wolproductie bedraagt zo’n drie miljoen kilo per jaar. De Nederlandse wol is te grof voor de kledingindustrie en wordt vooral gebruikt voor tapijten, dekens en als vulling voor matrassen en dekbedden.
Productie De productiewijze na het scheren van de schapen bestaat uit een groot aantal stappen, waaronder reinigen, kaarden, spinnen, twijnen, zetten, en verven. Schapen worden elk voorjaar geschoren. Hierna wordt de vacht opgerold en verpakt in balen van ongeveer 170 kilogram. Daarna wordt de wol gewassen en zo ontdaan van vet, gras en plantaardige resten. Vervolgens wordt de wol gekaard, ofwel de vezels worden ontward. Dit gebeurd met een soort kam met stalen punten. Hierdoor verdwijnen ook de laatste resten vuil. Dan volgt het spinnen waarbij de wol wordt rondgedraaid. Hiermee worden de vezels met elkaar verbonden tot één draad. Bij een sterkere wolvezel kan een dunnere draad worden gesponnen. Bij een heel goede kwaliteit kan wel 200 kilometer draad uit een kilogram wol worden verkregen.
De enkele draad vanuit het spinnen wordt daarna met een of twee andere draden in elkaar gedraaid. Dit is het twijnen. Om te voorkomen dat de gesponnen garens weer losdraaien wordt de wol vaak chemisch, of met gebruik van stoom, gezet. Verven kan in principe tijdens verschillende productiestadia van wol gebeuren (voor het spinnen of na het weven). Na het spinnen is de wol in een streng gewikkeld, en kan het verwerkt worden.
|